Lieve mensen van God,

Jezus kan geen ijzer met handen breken.
Bijna achteloos staat daar een bijzonder zinnetje in Markus 6.
Een zinnetje waar velen, ook voorgangers, liever overheen lezen.
‘En hij kon daar geen enkel wonder doen.’
Behalve dan dat hij een paar mensen de handen oplegde en ze genas,
maar dat stelt in de ogen van Markus kennelijk niet zoveel voor.
Hij suggereert dat Jezus in elk geval veel meer van plan is geweest.
Niet dat hij het dus niet wilde, nee, hij kón het niet.
Hij loopt tegen grenzen aan, zijn macht is beperkt, hij kan niet alles.

Mattheüs, die zijn verhaal later opschreef dan Markus
en die ook veel van Markus heeft overgenomen, zegt iets anders.
Híj houdt het erop dat Jezus daar in zijn woonplaats geen wonderen dééd.
Dat hij het niet kón, durft Mattheüs niet zo hard te zeggen.
Bij het eerste evangelie, dat van Markus dus, is Jezus nog helemaal een mens.
Een mens met tal van bijzondere gaven weliswaar, maar een mens.
In de latere evangeliën en vooral in het laatste, Johannes,
wordt hij groter en groter en komt steeds dichter bij God te staan,
maar dat evangelie is dan ook pas geschreven rond het jaar 100.
En in het jaar 325 verklaart het concilie van Nicea dat Jezus
twee naturen had: hij was God en hij was mens. Tja.
Zo gaat dat met de helden van de mensheid: hoe langer geleden,
hoe sterker de verhalen en hoe groter de mythen die rond hen ontstaan.
Ik ben eigenlijk wel heel blij met de eenvoudige Jezus van Markus.
Want de mens Jezus, hoe bijzonder hij ook was, is één van ons.
Iemand die wat kan, die zelfs heel veel kan, maar niet alles, net zomin als wij.

Eerstvolgende viering